Op 15 september 2015 stond dit artikel op Gooi en Eemlander
Het werd geschreven door Trialda Hoogeveen
Foto Studio Kastermans/Ben den Ouden

Van den Ancker vilde thuis de mollen en spande het huidje
op een plankje met spijkers dat hij achter de kachel 
neerzette waar het kon drogen. "Stinken dat dat deed!"

Kortenhoef – Jarenlang verdiende Rijk van den Ancker een goede boterham met mollenvangen. De boeren wilden de dieren niet in hun land en de bontindustrie zat te springen om de huiden. In de jaren tachtig maakten de antibontacties een einde aan de handel, bontjassen verdwenen uit het straatbeeld. Van den Ancker: “Ik ving soms wel 200 mollen per week.”

Wie Met Rijk van den Ancker spreekt, duikt in een wereld van een leven lang wondere avonturen. Geboren op een boerderij aan Ouderkerk aan de Amstel in een gezin met negen kinderen, verliet hij het ouderlijk huis al op achtjarige leeftijd.

“Ik ging werken bij een boer een kilometer verderop en sliep daar ook, in een bed boven de stal met daarin vijtig, zestig koeien. Melken kon ik nogal goed, dus dat deed ik twee keer per dag. Tussendoor fietste ik naar school. Ik weet eigenlijk niet eens of ik er geld mee verdiende, misschien had de boer iets met mijn ouders afgesproken.”

Mollenhondje

De eerste mol ving Van den Ancker toen hij in de vijfde klas van de lagere school zat. “We hadden Doris, een zwart-wit mollenhondje dat verschrikkelijk goed mollen kon vangen, hij ving er zomaar vijtig op een dag. Doris hoorde ze van 20 meter afstand, liep er heel voorzichtig naartoe en ving de mol. Als hij miste, trapte ik de rit dicht, blokkeerde zo de weg, zodat Doris de mol alsnog kon pakken.”

“Elke dag maakte ik samen met Doris voor 7 uur ’s ochtends mijn rondje. Ik had bij iedere boer ongeveer één week nodig om mollen te vangen. Die boeren wilden van die dieren af, omdat het gras niet goed groeit op de plekken waar mollen kruipen. Na flinke regen zit een mol hoog in een slaapnest, vlak onder het oppervlak. Langs de Ronde Hoep kon je op die manier fantastisch mollen vangen, op zo’n dag kon ik er veel steken! Voor iedere mol kreeg ik een kwartje van de boer en een kwartje voor het huidje. Dat was meer dan mijn vader verdiende! Al het geld gaf ik aan mijn moeder.”

Huidsmeer

Van den Ancker vilde thuis de mollen en spande het huidje op een plankje met spijkers dat hij achter de kachel neerzette waar het kon drogen. “Stinken dat dat deed!” Als ik de huid per ongeluk een beetje had beschadigd met mijn greep, smeerde ik het gaatje dicht met huidsmeer. Anders kreeg ik er niks meer voor. Dat scheurde natuurlijk weer bij de jassenmaker, die zal wel gemopperd hebben.”

De Huiden verkocht de mollenvanger aan de marktkooplui die er jassen van lieten maken. Zelf heeft Van den Ancker nooit een bontjas gedragen: “Dat was meer iets voor rijke mensen.”

Groenteboer

Als jonge twintiger al verhuisde Van den Ancker naar Kortenhoef. Hij werkte in Amsterdam bij een groenteboer, had op de avondschool het Groentediploma gehaald, en werd door een kruidenier in Kortehoef gevraagd bij hem te komen werken. “Door mijn diploma kon hij een winkel kopen en groenteboer worden.”

Al snel holde ook zijn faam als mollenvanger achter hem aan. “Ik kende Zach Jansen, zijn broer Joop was mollenvanger. Hij had tien klemmen gezet, maar ving daar nauwelijks wat mee. Dus ik die klemmen voor hem gezetten, zat in acht van de tien klemmen een mol!”

In en om Kortenhoef ving hij met gemak 200 mollen per week. “Ik verdiende verschrikkelijk veel, 2 gulden 25 per huid! Die mollen gooide ik allemaal in de vriezer. Eens per veertien dagen, op zondagmorgen, bracht ik ze bij een man thuis die ze vilde. De huidjes verkocht hij, de rest van de mol voerde hij aan zijn varken.”

Klemmen

De klemmen op de juiste plek zetten is een vak apart. “Als ik het land inloop, kan ik al zien waar ik een klem moet neerzetten. Dat zit gewoon in je, bijna geen enkele boer kan dat. Je moet weten waar de rit is, daar moet de klem gezet worden, want  de mol loopt regelmatig door die looprit. Soms vang ik er een met de hand, maar dat kost veel tijd.”

Toen in de jaren tachtig antibontactivisten de straat opgingen om bontjassen te bekladden.Urbanus in 1980 ‘Madammen met bontjas’ zong en kinderen voor kinderen in 1981 faam verwierf met het lied ‘Tweedehands jas’, hield Van den Anckers werk als mollenvanger voor een groot deel op. “Na die bontacties was het afgelopen met de prijs. Nu doe ik het alleen voor de boeren zelf. Tegenwoordig zijn er trouwens bijna geen mollen meer. Professionele bedrijven doden ze door gas in het holletje te spuiten. Ik zie nog maar zelden klemmen staan.”

Mollenvangen is overigens nooit de hoofdmoot van Van den Anckers werkzaamheden geweest. Hij deed dat altijd naast een baan als groenteboer, melkboer, bedrijfsleider in een supermarkt en marktkoopman. Slecht draaiende winkels weer uit het slop. Nog altijd heeft hij als hobby schapen en staat hij één dag op de markt met textiel. Zijn vrouw is overleden, maar dankzij zijn drie kinderen en kleinkinderen heeft hij nog altijd een vol familieleven.

Paspoort
Naam: Rijk van den Ancker
Was: mollenvanger
Leeftijd: 76